Waarom samenwerken opgenomen is in mijn herontwerp



Op Oberon wordt gewerkt vanuit docent gestuurd onderwijs. Veenman (2001) stelt dat binnen gestuurd onderwijs de leerkracht bepalend is voor de leerdoelen, leerstrategieën en leerresultaten van de leerling. De visie op onderwijs oogt op Oberon dan ook in eerste instantie vooral Behavioristisch. Skinner (1953) omschrijft dat binnen het Behaviorisme de nadruk vooral ligt op zichtbaar gedrag. Binnen het Behaviorisme is de rol van de omgeving (of de leerkracht) belangrijk en is de rol van de leerling (als black-box) vrij passief (Skinner, 1953). Etmer en Newby (2013) benoemen binnen het behaviorisme het belang van instructie, stimulus-respons reactie, bekrachtigers (of feedback), meetbaar gedrag, concrete doelstellingen en taxonomieën. 

Op Oberon zijn deze elementen terug te vinden in het interactieve gedifferentieerde directe instructiemodel (IGDI), opbrengstgericht werken aan de hand van toets-opbrengsten en doelstellingen, beloningssystemen op gedrag en automatiseren (van bijvoorbeeld de tafels) als stimulus-respons reactie. Toch geven de leerkrachten op Oberon in een teaminterview aan, een actievere rol voor de leerling te willen. Zij onderscheiden naast het belang van kennis door overdracht, ook het belang om de leerling deze kennis actief te laten verwerken, en daardoor te construeren met anderen. Dit sluit aan op het sociaal constructivisme. Er zijn klachten dat leerstof te weinig beklijft, leerkrachten merken dat leerlingen in gesprek met elkaar meer leren en ze willen meer verantwoordelijkheid bij de leerling leggen, in de vorm van bijvoorbeeld leerlinggesprekken. 

De directeur van Oberon wil graag aansluiten bij onderwijsvernieuwingen zoals kennis over breinvriendelijke onderwijs en 21st century skills, zoals te lezen in het jaarplan van de school. De directeur uit wel in de gesprekken die hij met de ontwerper gehouden heeft, dat de onderwijsbehoefte van de leerling altijd uitgangspunt moet zijn bij het onderwijs op Oberon. Hij benoemt hierbij de behoefte aan structuur en duidelijkheid die de leerling nodig heeft. Ook tijdens het bezoek van de onderwijsinspectie in 2016 is door de inspectrice benoemt dat vormen als ontdekkend- of ervaringsgericht onderwijs niet passend zijn bij de doelgroep van Oberon. De school hecht daarom veel belang met het werken vanuit het IDGI-model. De directeur geeft in een gesprek met de ontwerpen aan dat hij met het team de fasen van dit model opnieuw wil doorlopen en afstemmen en daarbij tevens open staat voor de invoering van meer actiever en uitdagend onderwijs, zoals omschreven in het jaarplan.

Volgens Bakker en Deinum (2002) is het doel van het onderwijs vanuit Cognitivistisch perspectief om niet enkel kennis over te dragen, maar ook de aanmoediging van kennisconstructie en bijbehorende metacognitieve vaardigheden die voor het verwerven en verwerken van kennis van belang zijn. Hiervoor is activerende didactiek van belang, omdat daarbij de kans het grootst is dat de leerling zelf actief de kennis construeert (Bakker & Deinum, 2002). Ebbens, Ettekoven en Rooijen (1997) schalen directe instructie in onder docentgestuurd onderwijs. Activerend lesgeven, vanuit samenwerking, leidt daarentegen tot gedeelde sturing. Bergh, Ros, en Beijaard (2013) onderscheiden actief leren vanwege de actieve houding van de leerling tijdens de uitvoering van de opdrachten. Bij deze sociaal constructivistische kijk op leren is het volgens Ebbens en Ettekoven (2013) van belang dat de leerstof relevant en betekenisvol is voor de leerlingen, maar ook dat de leerling een actieve rol speelt in het leren. Sociale interactie en samenwerking zijn hierbij belangrijk (Ebbens & Ettekoven, 2013). Met samenwerking wordt bedoelt dat er gezamenlijk, doelmatig wordt gewerkt aan een taak. De sociaal constructivistische visie op een actievere rol voor de leerling wordt wel uitgesproken door de leerkrachten op Oberon, maar is nog niet concreet omschreven in de visie of vormgegeven in het onderwijs.

Zoals hierboven beschreven is samenwerking een belangrijk concept binnen het activerend leren (Leenders, Naafs & Van den Oord, 2002). Een tweede argument om samenwerking te stimuleren binnen het onderwijs zijn de maatschappelijk veranderingen. In het visiestuk wordt naast het belang van kennis ook het belang voor het ontwikkelen van vaardigheden omschreven. Volgens Voogt en Roblin (2010) worden leerlingen niet meer voorbereid op een industriële maatschappij, maar op een kennismaatschappij die om andere vaardigheden vraagt. Zij stellen dat de maatschappij in een toenemende mate behoefte heeft aan kenniswerkers, niet aan routinematige productiewerkers. Thijs, Fisser en Van der Hoeven (2014) hebben vaardigheden beschreven die nodig zijn om leerlingen voor te bereiden op de veranderende arbeidsmarkt. Hiermee worden bijvoorbeeld de 21st century skills bedoeld, omschreven door het nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling (Voogt & Roblin, 2010). Ook Platform 2032 (2016) schreef een rapport over belangrijke vaardigheden voor de leerlingen. Samenwerking komt in alle documenten als belangrijke vaardigheid naar voren. Daarnaast is er veel empirisch onderzoek gedaan naar de positieve effecten van samenwerkend (of coöperatief) leren, met positieve resultaten op het gebied van schoolresultaten, sociaal-emotionele ontwikkeling, cognitieve ontwikkeling, plezier in school, etc. (Hattie, 2009; Marzano, 2009)

Het is niet te verwachten dat als je leerlingen in groepjes zet, er spontane en adequate samenwerking ontstaat. Samenwerkend leren kent vijf sleutelbegrippen als voorwaarde voor succes (Ebbens, Ettekoven en Rooijen, 1997). Deze vinden hun oorsprong in het Coöperatief leren en zijn; positieve wederzijdse afhankelijkheid, individuele aanspreekbaarheid, directe interactie, sociale vaardigheden en aandacht voor het groepsproces (Kagan, 2007). Van de Velde (2002) stelt dat sociale vaardigheden niet geleerd kunnen worden door opdrachten te creëren waarin leerlingen niet anders kunnen dan samenwerken, volgens het zogenaamde ‘Blind learning’. Hij benoemt het belang van ‘informed training’ waarbij de leerling bewust is van de samenwerkingsdoelen en gericht oefent. Hierbij is ook feedback en het stimuleren van zelfreflectie van belang waardoor leerlingen inzichten over samenwerken opdoen en deze leren toepassen (Van de Velde, 2002). 

Bronvermelding:


Bakker, C. & J.F. Deinum (2002). Activerende didactiek; een actief lerende leerling in de klas. Levende Talen Tijdschrift, 3(3), 3-10.

Bergh, L. van den, Ros, A. & Beijaard, D. (2013). Teacher feedback during active learning: Current practices in primary schools. British Journal of Educational Psychology, 83 (2), 341-362.

Ebbens, S. & Ettekoven, S. (2013). Effectief leren, basisboek. Groningen: Noordhoff UItgevers
 

Ebbens, S., Ettekoven, S. & Rooijen, J. van (1997) Samenwerkend leren, praktijkboek. Groningen: Wolters-Noordhoff
 
Etmer, P. A. & Newby, T.J. (2013). Behaviorism, Cognitivism, Constructivism: Comparing Critical Features From an Instructional Design Perspective. Performance Improvement Quarterly, 26(2), 43-71.

Hattie, J. (2009). Visible learning for teachers. Oxon: Routledge.
 

Kagan, S. (2007). Structureel coöperatief leren. Eindhoven; Bazalt.
 

Leenders, Y., Naars, F., Oord, I. van den (2002). Effectieve instructie: Leren lesgeven met het activerende directe instructiemodel. Amersfoort: CPS.
 
Marzano, R., Rickering, D. & Pollock, J. (2009) Wat werkt in de klas. Research in actie. Vlissingen; Bazalt
 

Platform onderwijs 2032 (2016). Ons onderwijs 2032 eindadvies. Den Haag: Auteur.
 
Skinner, B. F. (1953). Science and human behavior. London, England; Pearson PLC.

Thijs, A., Fisser, P., & Hoeven, M. van der (2015). 21e eeuwse vaardigheden in het curriculum van het funderend     onderwijs. Enschede: SLO.
 
Veenman, S., Leenders, Y., Oord, I, van den, Naafs, F. (2001). Effectieve instructie: Leren lesgeven
met het activerende directe instructiemodel (experimentele uitgave). Amersfoort: Christelijk Pedagogisch Studiecentrum.

Velde, D. van de. (2002). De groep in actie, praktijkboek samenwerkingsvaardigheden. Leuven: Acco.

Voogt, J., & Pareja Roblin, N. (2010). 21st century skills. Discussienota. Twente: Universiteit Twente.





 

differentiatie binnen mijn herontwerp





Vandaag heb ik mij verdiept in het onderwerp ‘differentiatie’ met oog op mijn herontwerp. Ik had hier al verschillende literatuur over gelezen. Pas nu mijn herontwerp concretere vormen aan begint te nemen, is het voor mij makkelijker om de begrippen en concepten mee te nemen in het ontwerpproces.

Differentatie binnen de onderwijsinstelling
Differentiatie binnen mijn onderwijsinstelling is vormgegeven op basis van interne differentiatie, door middel van het jaarklassensysteem. Binnen de groep wordt er gedifferentieerd, voornamelijk op prestatie. Dit op basis van convergente differentiatie, waarbij volgens het systeem van Mastery learning gewerkt wordt met basisstof-herhalingsstof-verrijkingsstof. Deze differentiatie is duidelijk terug te vinden bij de kernvakken, maar minder zichtbaar bij het zaakvakonderwijs. Hier is het leerdoel en het aanbod voor alle leerlingen doorgaans gelijk. Divergente differentiatie zal de komende jaren toenemen vanuit de vraag naar Passend onderwijs. Waar we nu proberen de leerling op basis van hoge verwachtingen mee te nemen in de basisdoelen, zal de vraag naar eigen leerlijnen en ontwikkelingsperspectieven toenemen omdat ook de problematieken toe lijken te nemen.

Differentiatie binnen de samenwerkingsgroepjes
De samenwerkingsgroepen die ik zal samenstellen voor het herontwerp zullen heterogeen samengesteld worden. Ebbens (1997) omschrijft heterogene groepen als bewust gegroepeerd op grond van verschillen. De betere en zwakkere leerlingen zitten bij elkaar, zodat de een de ander kan helpen. In mijn geval groepsoverstijgend, doordat groep 3 en 4 tijdens themawerk samengevoegd worden. Leerlingen uit groep 4 kunnen de leerlingen uit groep 3 helpen, maar ook de sterke leerling uit groep 3 kan ondersteunend zijn aan de zwakkere leerling uit groep 4. Aangetoond is dat heterogene groepen een positieve invloed hebben op de ontwikkeling van de zwakke leerling. Guldemond (1994) toont aan dat laagpresteerders in homogene groepen slechter presteren dan laagpresteerders in heterogene groepen. Dit omdat de vaak lager gestelde doelen leiden tot een grotere kloof met de andere niveaus, de lager gestelde doelen leiden tot weinig uitdagend onderwijs en aparte groepen een negatief effect hebben op het zelfvertrouwen van de leerlingen (Vernooij, 2009).

Maar wat is dan het profijt voor de sterke leerlingen?


De leerpiramide van Bales (1996) staat al lange tijd ter discussie. Ten eerste omdat de percentages niet aangetoond kunnen worden. Ten tweede omdat een piramide suggereert dat fases opeenvolgend zijn, waarvan echter geen sprake is. Toch is er veel onderzoek gedaan naar de effecten van het passief leren in de bovenste vier lagen, tegenover het actief leren in de onderste drie lagen van de piramide. Hierbij sluit het actief leren aan op de principes vanuit het Constructivisme waarbij leerlingen leren door kennis actief met elkaar te construeren. Er is veel onderzoek verricht naar het leereffect van leerstof uitleggen door leerlingen onderling. Zo tonen Denessen, Veerman, Dobbelsteen en Schild (2008) aan dat gemiddelde leerlingen die samenwerken met een zwakkere leerling meer vooruitgang laten zien dan wanneer zij samenwerken met een sterkere leerling. Dit omdat zij de leerstof die ze uitgelegd hebben beter kunnen onthouden en ook breder kunnen toepassen.

Differentiatie binnen het herontwerp
Om te kunnen differentiëren binnen het thema onderwijs is het van belang dat de leerkracht tijdens het begeleiden van de thema lessen uitgaat van het proces van Scaffolding. Allereerst zijn de leerdoelen bedoelt voor twee leerjaren en hoeven zij op niveau ‘creatief toepassen’ pas beheerst te worden door de leerlingen van groep 4. Prettig is dat leerlingen van groep 3 die goede aansluiting vinden met de leerstof, wellicht al verder kunnen komen bij sommige doelen dan het niveau ‘begrijpen’. Het is van belang dat de leerkracht achterhaald en controleert welke conceptkennis al bij de leerlingen aanwezig is. Dit ook om misconcepties tijdig te achterhalen (Sewel, 2002).  In hoeverre beheersen leerlingen de vier windrichtingen nog, die al aangeboden zijn tijdens een ander thema. De leerkracht kan deze kennis anders nogmaals aanbieden, of voorborduren op bestaande kennis. Fading kan plaatsvinden wanneer de leerkracht waarneemt dat de leerlingen verder kunnen met de ontvangen kennis. Toetsing of de leerstof uiteindelijk voldoende begrepen is, vind plaats door middel van de kwis aan het eind van iedere les en op basis van de eindproducten die de leerlingen zullen laten zien.
Bij het ondersteunen van de samenwerkingsvaardigheden is het tevens van belang dat de leerkracht de voorkennis van de leerling in kaart brengt en controleert. Snapt de leerling het belang van de samenwerkingsvaardigheid? Hierna is vooral Modeling en krachtige didactiek om samenwerkingsvaardigheden aan te leren (Kagan, 2007; Van De Velde, 2002). Sociaal sterke leerlingen kunnen als model dienen voor de sociaal zwakke leerlingen binnen de groep, maar ook de leerkracht heeft een krachtige model rol. De leerkracht zal in het begin een sturende rol moeten hebben om het samenwerken in goede banen te leiden, maar zal steeds meer naar de achtergrond verdwijnen (Fading) wanneer leerlingen de vaardigheden laten zien. De leerkracht zal tijdens het samenwerken zelf moeten bepalen welk groepje (meer) begeleiding nodig heeft en bij welk groepje de vaardigheden al beheerst worden.  


Denessen, E.,  Veerman, s., Dobbelsteen, J., & Schild, J., van. (2008). Dyad Composition Effects on Cognitive Elaboration and Student Achievement.  The Journal of Experimental Education.

Ebbens, S., Ettekoven, S. & Rooijen, J. van (1997) Samenwerkend leren, praktijkboek. Groningen: Wolters-Noordhoff

Guldemond, H. (1994). Van de kikker en de vijver. Groepseffecten op individuele leerprestaties. Leuven/Apeldoorn: Garant.

Sewell, A. (2002). Constructivism and student misconceptions, why every teacher needs to know about them. Australian Science Teacher’s Journal , 48(4), 24-28.

Vernooy, K. (2006). Effectief omgaan met risicolezers. Werken aan preventie en beter omgaan met leesproblemen. AmersfoortCPS 

Nieuwere posts Oudere posts Homepage

Volg me!



Recent Comments